Wasmotlarve

Wasmotlarve

Wasmotten worden bij bosjes gevoerd, omdat ze aan de ene kant graag worden gegeten en aan de andere kant vrij goed te bewaren zijn, in de koelkast houd je ze toch zeker een aantal weken goed. Te veel is natuurlijk ook niet goed, ze hebben een hoog vetgehalte maar juist door de honing die ze eten, waar bepaalde stoffen inzitten die zeer goed zijn bij ziekte of zwakte en die zorgen voor een reinigende werking, is en blijft het een graag gezien voedseldiertje. Er wordt altijd gesproken over wasmotten, maar het zijn dus eigenlijk de larve van de wasmot die juist voor ons geschikt zijn.

In Nederland komt de wasmot vrij algemeen voor. De wasmot vreet de raten van bijen aan op grote schaal en vernielt daarmee de raten. De bijen zullen de aangevreten raten ontwijken en niet meer in gebruik nemen.

Imkers vrezen wasmotten en zullen er alles aan doen om hun bijen er tegen te beschermen. De ontwikkeling van de wasmot is sterk afhankelijk van de temperatuur, ze brengen circa 3 generaties per jaar voort. In Nederland komen twee wasmotten voor, de grote- en kleine wasmot. De grote- en kleine wasmot kunnen niet tegelijk in een bijenkast leven, dus ook niet in een kweek. De larve van de grote wasmot eet die van haar veel kleinere broer op.

Grote wasmot (Galleria mellonella L.)
De mot heeft een vleugelwijdte van 2,5 cm. De larve zijn beige tot grijsbruin, ze gaan vrij snel op de loop als je ze beroerd. Deze zie je het meeste als voedseldier. Gedurende haar ontwikkeling doorloopt de grote wasmot drie opeenvolgende stadia: ei, larve en pop. De cyclus wordt alleen maar onderbroken als de temperatuur te laag wordt of als er niet genoeg voedsel te vinden is. Deze ontwikkelingscyclus kan variëren van 6 weken tot 6 maanden afhankelijk van de temperatuur en het voedselaanbod. De ontwikkeling komt pas opgang als de temperatuur boven de 9°C ligt. Het overwinteren kan zowel in ei-, larve-, als popstadium gebeuren.

 

De volwassen wasmotten veroorzaken geen schade, zij eten niets meer vanaf het moment dat ze volwassen zijn. De volwassen wasmot kan echter wel bijenziekten overbrengen. Grootte en kleur van het volwassen insect kunnen erg verschillen afhankelijk van het voedselaanbod in het larve stadium en de duur van de opeenvolgende ontwikkelingsstadia. De vrouwtjes zijn groter dan de mannetjes. De wijfjes beginnen eitjes te leggen 4 tot 10 dagen nadat zij uitgelopen zijn uit hun cocon. Bij schemering trachten de wijfjes binnen te dringen in een bijenkast om daar hun eitjes te leggen. De wijfjes leggen hun eitjes via een legbuis in holten en spleten zodat de bijen de eitjes niet kunnen opruimen of vernietigen. Het wijfje legt vaak meer dan duizend eitjes, ieder zo groot als een maanzaadje

Onmiddellijk na de geboorte gaat de jonge larve op zoek naar was om zich te voeden en begint zij met de bouw van zijdeachtige voedseltunnels om zich te beschermen. Eerst leeft de larve in wasresten, later op bebroede raten. De snelheid waarmee de larve groeit, hangt af van de temperatuur en het voedselaanbod. De larve voedt zich vooral met de onzuiverheden die in de was zitten (uitwerpselen en cocons van de bijenlarven en stuifmeelkorrels), oude raten zijn dus zeer voedzaam en in kunstraat ontbreken juist essentiële voedingsstoffen. Op het einde van het larve stadium spint de larve een taai zijdecocon dat stevig vast hangt tegen een houten raampje, tegen de wand van de bijenkast of tegen de kast waarin de raten worden bewaard. In de cocon verandert de larve eerst in een pop en vervolgens in een volwassen mot. Deze metamorfose duurt 1 tot 9 weken.

Kleine wasmot (Achroia grisella)
De mot heeft een vleugelwijdte van 1,5 cm. De larven zijn zijn witgeel en bewegen zich met snelle rupsachtige voortbeweging.

De ontwikkeling en eigenschappen van de kleine wasmot lijken in grote lijnen op die van de grote wasmot. De eitjes zijn echter weekglazig en de verpopping vindt zowel binnen als buiten de raat plaats, in een zijdeachtig coconnetje omringd door zijn uitwerpselen en wasresten, ze zien er daardoor zwart gekleurd uit. Voor de kleinere kameleonsoorten zijn deze dus bij uitstek geschikt.

De kweek
Om een goede wasmotten kweek op te zetten kan je het beste werken met verschillende kweekpotjes. Die je op verschillende momenten opstart, om dan een continue kweek te hebben. Gebruik glazen potten of hardplastic bakken of emmers, de wasmotten vreten overal doorheen, ook door krekeldoosjes, pas hier mee op voordat je het weet zit je hele huis onder de motten.

In de deksel van de pot of bak snijd je een paar gaten die je afdekt met fijn benzine gaas, horrengaas is niet geschikt hier kruipen de kleine larven zo doorheen. Het gaas bevestig je met silicone kit en na dat je dit hebt laten drogen kun je de randen nog afplakken met ducktape, anders zijn de larve zo weer door de silicone heen gevreten.

 

Voedingsbodem
Tegenwoordig zie je op beurzen vaak kant en klare voedingsbodem, dit gaat uitstekend, natuurlijk. Maar je kunt het ook zelf maken.

Er zijn diverse recepten die best werken, belangrijkste is de structuur, deze dient behoorlijk los te zijn waardoor larve er zich gemakkelijk doorheen kan bewegen en de motten dan hun eitjes direct in de bodem zullen leggen.

Het beste is natuurlijk oude honingraat hierin zitten de meeste voedingstoffen voor de jonge larven, je kunt dit vaak bij een imker krijgen , maar vertel er maar niet bij dat het voor de kweek is van wasmotten, daar zijn ze als de dood voor. Het beste leg je deze raten 24 uur in de vriezer , zo zullen de kleine wasmotten die er bijna altijd standaard inzitten het niet overleven. Leg je de raten te lang in de vriezer dan kan er schimmel optreden wat de raten onbruikbaar maakt.

Dan kun je ook kunstraat gebruiken, dit is ook weer verkrijgbaar via imkers maar hier zitten weinig tot geen voedingstoffen in. Verhit 900gr honing, 880 gr glycerine en 200 gr kunstraat net zolang tot de raat gesmolten is. Meng het dan met 400 gr gist en 1350 gr volkoren meel tot een homogene massa. Je kunt ook een mengsel maken van 500 gram tarwekiemen, 150 gram honing, 100 cc glycerine en 150 gram gist, eventueel kun je hier 100 cc rozenbottelsiroop aan toevoegen. Is het mengsel te nat doe er dan wat tarwekiemen bij. Dit recept werkt uitstekend en de ingrediënten zijn makkelijk te verkrijgen. De glycerine is verkrijgbaar bij de DA drogist de tarwekiemen bij de reformwinkel en biergist vind ja vaak in de supermarkt.

Sommige mensen maken ook een mengsel van hondenbrokken, neem 1 deel hondenbrokken, 1 deel water en 2 delen honing, meng deze zodat de massa korrelig wordt maar niet plakkerig. Nadeel hiervan is dat het snel kan schimmelen en ook weer kan gaan stinken.

 

Opzetten van de kweek
De kweekbakken vul je met een flinke laag voedingsbodem, toch zeker een 5 cm dik. Leg een paar proppen papier ( A4 vellen of vetvrij papier) op de voedingsbodem hier zullen de motten hun eitjes op afleggen, je kunt ook stukjes ribkarton gebruiken, hier kruipen de larven weer tussen zodat ze kunnen verpoppen.

Je neemt enkele wasmotlarven of poppen en zet deze in het kweekbakje. Je verwarmt de kweekbak in het begin tot 25 à 28 graden, je kunt ze op een warmte matje zetten. Eenmaal de kweek opgestart is gaat deze zichzelf verwarmen. De larven moeten eerst motten worden, deze zullen dan paren en hun eieren afleggen in de voedingsbodem.

Na een tijdje komen er kleine wasmotlarven uit de voedingsbodem, nu is je kweek opgestart. Zodra de larven groot genoeg zijn kun je ze eruit halen en in de koelkast bewaren, doe er een beetje houtkrullen tussen zodat ze wat bewegingsvrijheid hebben.

Lastig is wel dat je met rondvliegende motten zit, een handige methode heb ik hier nog niet opgevonden, ik doe het vaak buiten anders zitten de motten weer in huis.

Op verschillende tijden van het jaar kunnen ze last hebben van ziekten, meestal in de herfst en in de lente. Dit vormt geen probleem , gooi de inhoud van de zieke kweekbakken gewoon weg, reinig deze en plaats ze daarna 24 uur in de vriezer en ze zijn weer zo goed als nieuw.

Hou er wel rekening mee dat het toch zeker een week of acht duurt voor je kweek goed opstart. Maar uiteindelijk zal het krioelen van de wasmotten en doe je de dieren er een groot plezier mee.

Auteur: Hans Stolk